Van flaneren naar winkelen

Het woord ‘winkelen’ wordt rond 1890 voor het eerst gebruikt in Nederland. De oprichting van de Passage vind plaats in een tijd dat de Haagse bevolking sterk groeit. De groei bestond voornamelijk uit mensen werkzaam in de nijverheid, ambtenaren, kantoorpersoneel en repatrianten uit Nederlands-Indië. Hierdoor ontstond meer behoefte aan consumptieartikelen en luxegoederen. De bestaande ambachtelijke gilden konden echter niet in deze productie voorzien.

De wet ‘vrijheid van beroep’, die ervoor zorgde dat iedereen het beroep mocht uitoefenen wat hij wilde zonder de strenge eisen van de gilden, maakte het mogelijk om een gemengd winkelgebied samen te stellen. Voorheen zaten dezelfde soort ambachtslieden namelijk vaak bij elkaar in specifieke straten. De Passage werd een typisch voorbeeld van zo’n gemengd winkelgebied.

In diezelfde periode, zo rond 1890, ontstaat ook een nieuw soort consumptie systeem. Veel dingen veranderden in die tijd. In die periode wordt voor het eerst het woord ‘winkelen’ gebruikt, wat inhield dat mensen op een recreatieve manier vergelijkend konden gaan kopen en waarbij alle sociale lagen van de bevolking bijeen kwamen.

Niet lang daarvoor was het gebruikelijk dat je bij het naar binnengaan van een winkel de plicht had om te kopen. Ook moest je onderhandelen over het bedrag dat je ergens voor betaalde. Maar rond 1880 begonnen winkelier naar Frans voorbeeld te moderniseren. Winkeliers haalden hun waren uit dichte kasten en stalden ze in de winkel uit. Ze zetten bordjes neer dat kopen niet verplicht was en gingen ze met vaste prijzen werken.

Ook de technologie had zo haar bijdrage in het nieuwe winkelen. Halverwege de 19e eeuw werd het mogelijk om grotere glasoppervlakken te gaan gebruiken. Dat maakte het mogelijk om vanaf buiten al de koopwaar van de winkelier te zien, en dus al wandelend te ‘windowshoppen’. 

Het Haagse gemeentebestuur investeerde in de aanleg van stoepen. In die tijd was wandelen gevaarlijk, aangezien je makkelijk omver gereden kon worden door rijtuigen. Door de aanleg van stoepen werd wandelend inkopen doen aantrekkelijker. De Haagse Passage was daarin het meest uniek. Met haar overkapping liep je daar vrij van weer en wind. Bovendien bood het een veilige doorsteek door de stad, omdat er geen paardenwagens reden. Door alle ontwikkeling werd wandelend inkopen doen een prettige aangelegenheid dat je voor je plezier ging doen. De Passage met al haar faciliteiten is daar misschien wel het beste voorbeeld van